VELDEN, Renier Van der
Renier VAN DER VELDEN werd geboren te Borgerhout op 14 januari 1910. Vanaf zijn veertiende volgde hij lessen aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium in Antwerpen. Hij beëindigde de traditionele muziekstudies niet (ondermeer omwille van zijn legerdienst) maar kreeg wel privaatles van J. Jongen en K. Candael. Van der Velden was dus vooral een autodidact. Vanaf 1945 was hij verbonden aan de BRT-omroep in Antwerpen, waar hij de Vlaamse muziek uit zijn tijd een bevoorrechte plaats in zijn programma's verleende. In de jaren 1947-48 leidde hij ondermeer het mannenkoor 'Lasallekring', waarmee hij naast liederen van J. Broeckx en Fr. D'Haeyer, ook de volksliederen van Bela Bartok instudeerde. Hij stelde ook een kamermuziekensemble van beroepszangers samen waarmee hij in het Rubenshuis te Antwerpen concerten gaf. In 1961 kreeg Van der Velden de Prijs van de provincie Antwerpen voor zijn ballet Judith. SABAM kende hem in 1967 de prijs Paul Gilson toe voor zijn gehele oeuvre. Zijn Sinfonietta voor orkest werd in 1970 bekroond met de Visser-Neerlandia prijs. In datzelfde jaar werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van Kunsten, Letteren en Wetenschappen van België. Van Van der Velden werden veel werken gecreëerd op het Festival van Vlaanderen in Gent, zoals het Concertino voor fluit en strijkorkest uit 1965 en het Concerto voor piano en strijkers uit 1971. De Unie van Belgische Componisten kende hem in 1989 de Fuga-prijs toe voor zijn aandeel in de bevordering van de Belgische muziek. Vier jaar later, op 19 januari 1993, overleed Van der Velden in Antwerpen.
WERK
Het oeuvre van Renier van der Velden bestaat vooral uit ballet- en kamermuziek. De balletmuziek kende in Antwerpen in de jaren 1950-60 een grote bloei, met ondermeer componisten als P. Welffens en W. Kersters en het ontstaan van een zelfstandige balletcultuur. In dit genre vond Van der Velden zijn voorkeur voor beweging en dramatiek terug. Zijn muzikale uitdrukkingswijze is vooral gericht op het verwekken van spanning, soms met de soberst mogelijke middelen. Kenmerkend voor zijn stijl is verder het gebruik van chromatische melodieën in combinatie met een functioneel-tonale harmonie. Van der Veldens muziek beweegt zich tussen uitersten: naast ritmische, vooral in zijn balletten, en expressieve (zoals bijvoorbeeld in zijn Kamermuziek voor altviool en instrumentaal ensemble uit 1956) werken, zijn er immers ook composities met een eerder lyrisch karakter (vooral de vocale werken). In zijn vroege werken is er een duidelijke affiniteit met bestaande stijlen van ondermeer Debussy en Ravel, wat ondermeer tot uiting komt in zijn liederen op teksten van Baudelaire en Verlaine. In zijn latere composities laat hij dit principe los en ontwikkelt hij een eigen muzikale stijl. Hij maakt wel nog gebruik van bestaande principes, maar trekt ze niet radicaal door. Zo ontwerpt hij bijvoorbeeld dodecafonische thema's maar de seriële verwerking ervan laat hij achterwege.
Zoals al eerder vermeld neemt de balletmuziek een vooraanstaande plaats in het oeuvre van Renier Van der Velden. Zijn eerste ballet, Provinciestad 1900, componeerde hij in 1937. Het is een werk op een scenario van Roger Avermaete voor een eerder kleine bezetting, namelijk twee piano's. In 1947 ontstonden de eerste balletten voor een grotere bezetting: De zakdoekjes en De ontvoering van Proserpina (waar hij naast een orkestversie ook een bewerking maakte voor een kamerorkest). Stilistisch zijn deze twee werken totaal verschillend: het eerder luchtig karakter van De Zakdoekjes contrasteert met het dramatische klankbeeld van De ontvoering van Proserpina (met talrijke solistische interventies en het gebruik van veel verschillende orkestkleuren). In de daaropvolgende jaren ontstonden balletten van uiteenlopende aard en kwaliteit. Van der Velden zelf vindt Proserpina, Judith, Triomf van de dood en Oostendse maskers zijn voornaamste composities. Andere balletten, zoals bijvoorbeeld De zakdoekjes, hebben volgens hem, wegens het beperkt aantal personages, slechts een functionele waarde. Ook het feit dat de 4 genoemde balletten af en toe in een concertzaal werden uitgevoerd in suitevorm, waarbij de scenische uitbeelding achterwege wordt gelaten, is volgens Van der Velden een bewijs van de absolute muzikale waarde van deze composities. Vaak haalt Van der Velden in zijn balletten inspiratie bij beroemde schilders: bijvoorbeeld James Ensor in Oostendse maskers (1965) en Pieter Brueghel in de Dulle Griet (met versies in 1949 en 1990, naar een scenario van R. Avermaete).
Van der Velden was ook productief in het liedgenre. Vooral zijn Acht liederen op teksten van Karel Van de Woestijne uit 1951 worden beschouwd als een belangrijke bijdrage tot het liedrepertoire. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor zijn Avondgeluiden (2 versies in 1954 voor alt en orkest/middenstem en piano, en in 1985, voor hoge stem en orkest) op teksten van Paul van Ostayen.
Zijn composities voor kamermuziekensemble zijn zeer uiteenlopend qua muzikaal materiaal en inhoudelijke sfeer. Het Concertino voor fluit en strijkers (1965) bevat zowel levendige ritmische (in de beide hoekdelen) als expressieve nostalgische passages (in het lento, waar de fluit een eerder melancholische melodie speelt boven de orkestbegeleiding). Het Tweede concerto voor blazerskwintet (1955), opgebouwd uit 4 delen, getuigt van een contrapuntische stijl. Het eerste deel is sterk polyfoon. De inzet van de fluit wordt als een hoofdthema verwerkt, met technieken als reductie, omkering...Door de lange melodische lijnen en de opeenstapeling van verschillende zelfstandige partijen krijgt het een neobarok karakter. In het tweede deel (adagio espressivo) wordt de partij van de hobo dodecafonisch verwerkt, waarna het herhaald wordt door de fluit en opnieuw door de hobo. Het derde deel (na een korte overgangspassage) heeft een scherzo-achtig karakter. In het laatste deel (allegro) zijn er contrasten tussen enerzijds syncopen, triolen en onverwachte accenten, en anderzijds de langere melodische frazen. Een zelfde diversiteit is terug te vinden in Beweging (1965 voor twee piano's en 1968 voor orkest). Het werk heeft geen klassieke structuur. Het is eigenlijk één drieledige beweging, bestaande uit een trage inleiding, een snel fugatisch en ritmisch sterk uitgewerkt middendeel en een traag slot. Van der Velden maakt zowel gebruik van dodecafonisch aandoende thema's en orchestrale contrasten (vooral de interpolaties van het koper), als van lineaire polyfonie en de martellatostijl van de piano. In het eerste deel van het Concertino voor viool en kamerorkest (1964) vallen de wisselingen in het tempo op, volgens het schema langzaam-snel-langzaam. De viool zet immers in met een solistische, trage inleiding van 8 maten. Daarna versnelt het tempo (allegro moderato) om uiteindelijk terug naar het langzame aanvangstempo terug te keren.
Nadat hij in 1975 op pensioen was gegaan bij de BRT, componeerde Van der Velden uitsluitend korte stukken voor kleinere bezeting: Indruk (1976), Nocturne voor beeldhouwer Marc Macken (1979) en de Nocturne voor kunstschilder Antoon Martboom (1983). De Nocturne uit 1979 is een zeer polyfoon stuk, met een lyrische melodie. Aanvankelijk was het bedoeld voor piano, maar in 1986 schreef Van der Velden een versie voor blazersensemble.
SELECTIEVE WERKLIJST
- Balletmuziek: Provinciestad 1900 (1937); De ontvoering van Proserpina (1947); Dulle Griet (1949 en 1990); Judith (1955); Triomf van de dood (1964); Oostendse maskers (1965).
- Orkestwerken: Concerto voor trompet (1941); Concerto voor hobo (1941); Concerto voor viool en orkest (1958); Beweging (1965 en 1968); Sinfonietta voor orkest (1970); Arlequinade (1980).
- Kamermuziek: Divertimento voor strijkorkest (1938); Sinfonietta voor strijkers (1942); Trio voor hobo, klarinet en fagot (1943); Concertino voor kamerorkest (1949); Kamermuziek voor alto (1956); Concerto voor twee piano's en koperblazerskwintet (1965); Elegie (1983), voor hobo.
- Vocale muziek: Acht liederen op teksten van Karel Van de Woestijne voor hoge stem en piano of orkestbegeleiding (1946); Avondgeluiden, op teksten van Paul van Ostayen (1954, 1954 en 1985).
SELECTIEVE BIBLIOGRAFIE
- CORBET, A., art. Renier Van der Velden, in Algemene muziekencyclopedie,10, Antwerpen-Amsterdam, 1960, p.99-100.
- HEUGHEBAERT, H., Renier Van der Velden, in Harop, nr. 2, 1967, p. 35-40.
- Renier Van der Velden, in Music in Belgium-Contemporary Belgian Composers, uitg. dr. A. MANTEAU, Brussel, 1964.
SELECTIEVE DISCOGRAFIE
- Concerto nr. 2 voor blazerskwintet (Blaaskwintet van Brussel), Decca 143.333.
- Mijn God, Gij ziet de zee (L. Devos en M. Gazelle), Philips A 10481.
- Preludium voor piano (Lode Backx), Olympia.
[© 2002 Simon Keyers, voor MATRIX]
werken
-
A l'aube, 1955
Sopraan of Tenor en piano 00:03:00 -
Acht liederen, 1951
Sopraan of Tenor en piano 00:23:00 -
Acht Van De Woestyne-liederen, 1951
hoge stem en orkest 00:25:00 -
Adagio en finale, 1939
viool, altviool, cello 00:14:00 -
Andante espressivo, 1955
piano 00:08:00 -
Arlequinade, 1980
orkest 00:12:00 -
Arlequinade, 1980
fluit 00:12:00 -
Avondgeluiden, 1954
Alt en orkest 00:03:00 -
Avondgeluiden, 1954
middenstem en piano 00:03:00 -
Avondgeluiden, 1985
hoge stem en orkest 00:03:00 -
Balletmuziek, 1972
kopers en piano 00:11:00 -
Beweging, 1965
2 piano's 00:08:00 -
Beweging, 1968
orkest 00:10:00 -
C'était le jour, 1948
Sopraan of Tenor en piano 00:02:00 -
Christofoor, 1964
middenstem en piano 00:02:30 -
Concertino, 1949
kamerorkest 00:15:00 -
Concertino, 1964
viool en kamerorkest 00:17:00 -
Concertino, 1964
viool en piano 00:17:00 -
Concertino, 1965
fluit en strijkorkest 00:17:00 -
Concertino, 1965
fluit en piano 00:17:00 -
Concertino, 1965
2 piano's, 2 trompetten, hoorn, trombone en tuba 00:12:00 -
Concerto, 1941
hobo en orkest 00:20:00 -
Concerto, 1941
hobo en piano 00:20:00 -
Concerto, 1940
trompet en orkest 00:18:00 -
Concerto, 1971
piano en strijkorkest 00:15:00 -
Concerto, 1958
viool en orkest 00:20:20 -
Concerto nr.1, 1939
fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:17:00 -
Concerto nr.2, 1955
fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:16:00 -
De ontvoering van Proserpine, 1947
kamerorkest 00:30:00 -
De ontvoering van Proserpine, 1947
orkest 00:30:00 -
De triomf van de dood, 1963
groot orkest 00:30:00 -
Deux mélodies, 1934
Sopraan of Tenor en piano 00:05:30 -
Deux mélodies, 1933
middenstem en piano 00:04:00 -
Divertimento, 1938
strijkorkest 00:16:00 -
Divertimento, 1957
hobo, klarinet en fagot 00:11:00 -
Divertimento, 1933
fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:14:00 -
Drie korte stukken, 1933
klarinet si b en fagot 00:11:00 -
Dulle Griet, 1949
orkest 00:30:00 -
Dulle Griet, 1990
orkest 00:15:00 -
Dulle Griet: Suite, 1952
orkest 00:13:00 -
El Desdichado, 1960
Sopraan en piano 00:02:30 -
Elégie, 1973
cello 00:00:00 -
Elegie, 1983
hobo 00:00:00 -
Entrada
2 trompetten en 2 trombones 00:04:00 -
Er gaat een goede beedlaar, 1946
Sopraan of Tenor en piano 00:00:00 -
Etude nr.16, 1972
4 pauken en piano 00:04:00 -
Fanfare, 1961
fanfare 00:08:00 -
Fantaisie, 1967
klarinettenkwartet 00:10:00 -
Habanera, 1938
orkest of klein orkest 00:06:30 -
Habanera - Danse, 1938
harmonieorkest 00:06:30 -
Huit poèmes op. 21/1-4, 1939
Sopraan en piano 00:04:00 -
Hulde aan Leos Janacek, 1973
fluit, hobo en orkest 00:14:00 -
Impromptu, 1984
fluit 00:00:00 -
Improvisation, 1953
gitaar 00:06:30 -
Indruk aan zee, 1930
orkest 00:07:00 -
Judith, 1951
2 piano's en slagwerk 00:30:00 -
Judith, 1951
orkest 00:30:00 -
Kamermuziek, 1956
altviool en instrumentaal ensemble 00:24:00 -
L'adieu, 1960
Sopraan en piano 00:00:45 -
Landschappen, 1976
Sopraan en piano 00:12:00 -
Landschappen, 1976
Sopraan en kamerorkest 00:12:00 -
Les amours du torero, 1948
2 piano's 00:07:00 -
Les amours du torero, 1948
orkest 00:07:00 -
Les ancêtres, 1949
kamerorkest 00:20:00 -
Les mouchoirs, 1947
orkest 00:20:00 -
Les mouchoirs, 1947
orkest 00:20:00 -
Les mouchoirs, 1947
piano 00:20:00 -
Liedjes voor de jeugd op. 26, 1937
middenstem en piano 00:06:00 -
Liedjes voor de jeugd op. 26, 1937
middenstem en orkest 00:06:00 -
Maneschijn, 1953
Sopraan of Tenor en piano 00:02:15 -
Maneschijn, 1953
Sopraan, fluit, viool, cello en piano 00:02:15 -
Maskers, 1965
orkest 00:28:00 -
Nacht, 1935
Alt en piano 00:03:00 -
Nacht, 1935
Alt en klein orkest 00:03:00 -
Nocturne, 1974
piano 00:05:00 -
Nocturne, 1983
gitaar 00:05:30 -
Nocturne, 1982
klarinet si b 00:06:00 -
Nocturne, 1980
fluit, gitaar en cello 00:06:30 -
Nocturne
viool en cello 00:00:00 -
Nocturne en studie, 1968
piano 00:15:00 -
Nocturne voor Beeldhouwer Mark Macken, 1958
10 blaasinstrumenten 00:06:00 -
Nocturne voor Beeldhouwer Mark Macken, 1958
strijkorkest 00:06:00 -
Nocturne voor Beeldhouwer Mark Macken, 1958
piano 00:06:00 -
O blik vol dood en sterren, 1946
Sopraan of Tenor en piano 00:00:00 -
Oostendse maskers, 1965
orkest 00:18:30 -
Op vleugelvooize steeg ter zon..., 1960
middenstem en piano 00:01:30 -
Prelude nr.7, 1980
piano 00:06:00 -
Quatre mélodies brèves, 1939
middenstem en piano 00:01:30 -
Regen op. 26, 1937
middenstem en orkest 00:02:00 -
Sextuor, 1948
fluit, hobo, klarinet, hoorn, fagot en piano 00:12:00 -
Sluit uw oogen op het licht, 1946
Sopraan of Tenor en piano 00:00:00 -
Staplied, 1940
Bariton en orkest 00:01:30 -
Staplied, 1940
middenstem en piano 00:01:30 -
Studie, 1969
kamerorkest 00:10:00 -
Stuk, 1970
fluit en piano 00:09:00 -
Symphonie, 1967
klein orkest 00:23:32 -
Symphonische suite, 1938
orkest 00:10:00 -
Trio, 1943
hobo, klarinet en fagot 00:15:00 -
Triptiek, 1977
2 trompetten en 2 trombones 00:25:00 -
Trois préludes (1, 2, 3), 1938
piano 00:15:00 -
Trois préludes (4, 5, 6), 1948
piano 00:12:00 -
Twee dialogen, 1971
klarinet in si b en piano 00:10:00 -
Twee liederen, 1971
Mezzosopraan en klavierkwartet 00:04:00 -
Vijf bagatellen, 1977
fluit, altviool en cello 00:18:00 -
Vlaanderen, o welig huis..., 1957
Sopraan en piano 00:03:30 -
Weer rijst het, 1985
Tenor en klavier 00:00:00
