PELEMANS, Willem
Willem PELEMANS, (°6 of 8 april 1901 te Antwerpen) was muzikaal grotendeels autodidact. Sinds achttienjarige leeftijd kreeg hij wel enig privé-onderricht in orkestratie, contrapunt en harmonie van zijn gewezen muziekleraar aan de normaalschool Paul Lagye, maar verder ging zijn muzikale scholing niet. Niettemin bouwde hij een rijk gevulde carrière uit in de muziekwereld.
In eerste instantie was hij echter lange tijd onderwijzer aan een Brusselse normaalschool. Eind jaren ’40 kreeg hij een baan als docent muziekgeschiedenis aan het Stedelijk Muziekconservatorium van Mechelen, en in 1967 werd hij zelfs benoemd tot ondervoorzitter van de in volle uitbouw verkerende Nederlandstalige afdeling van het Koninklijk Conservatorium te Brussel. Zijn bredere rol in het (Vlaams/Brusselse) cultuur- en muziekleven begon echter veel vroeger. Zo was hij van 1928 tot 1935 secretatis van de Vlaamse Club, een door August Vermeylen te Brussel opgericht gezelschap van dichters, schilders en musici, en werkte hij van 1928 tot 1940 samen met het theatergezelschap Rataillon. Dat gezelschap stond onder leiding van Albert Lepage en legde zich toe op experimenteel theater, waarbij Pelemans bij gelegenheid voor de muziek zorgde.
Vanaf 1944 was ook Pelemans’ schrijvende en daardoor cultuuruitdragende rol belangrijk: als muziekredacteur van Het Laatste Nieuws recenseerde hij immers niet alleen concerten, maar legde hij zich ook toe op het voorstellen van jong muzikaal talent van eigen bodem. Het voorzitterschap van de Unie van Belgische Componisten dat hij van 1971 tot 1981 uitoefende kan bovendien in dezelfde zin worden gezien als een bijdrage tot het behartigen van autochtone componisten.
Daarnaast had Pelemans van 1931 tot 1938 reeds als programmator meegewerkt aan de programma’s van de Librado bij het NIR. Daarbij probeerde hij op voorzichtige wijze meer “vooruitstrevende” muziek in de uitzendingen te verwerken, maar ondanks die gematigdheid kwam hij hierdoor in conflict met de liberale omroepstichting. Net vóór en langere tijd na de tweede wereldoorlog verzorgde hij vervolgens los van Librado muziekkronieken voor de nationale omroep, onder andere de “mijmeringen van het melomaantje”, waarmee hij een pionier was van de zogenaamde “radiocauserie”.
Door deze diverse functies was Willem Pelemans een belangrijk figuur in 60 jaar muziekleven in Brussel/Vlaanderen/België, niet in het minst als promotor van “moeilijkere” muziek bij een breder publiek. De sinds zijn overlijden in 1991 (28 oktober te Sint-Agatha-Berchem) uitgereikte prijs Willems Pelemans (later Jeanne en Willem Pelemans) huldigt in dezelfde geest muzikanten die een belangrijke rol hebben gespeeld (of spelen) in het uitdragen van Belgische muziek.
WERKBESPREKING
Een bespreking van het werk van Willem Pelemans is in feite een kroniek van 50 jaar muziekgeschiedenis, hoewel zijn eigen aandeel daarin vaak slechts als een voetnoot wordt beschouwd. Hij legt immers een wat woelige zoektocht af langs meerdere muzikale idiomen eer hij een eigen stijl blijkt gevonden te hebben, die bovendien nooit ruime verspreiding kent.
Hij begint “zoals het een Vlaamse componist betaamde” (Mens en Melodie, 1976, nr. 6, p. 167) met het schrijven van liederen op teksten van ondermeer Guido Gezelle en Karel van de Woestijne, in een bij die poëzie aansluitende impressionistische of (laat)romantische muzikale taal. Die vormt op dat ogenblik ook de dominante, door Joris Vriamont ironisch als “Vlaams sentimenteel academisme” bestempelde muzikale stijl in het sterk door conservatisme getekende Vlaanderen. Illustratief voor Pelemans is O ’t ruischen van het ranke riet, dat de poëzie volgend een traditionele ABA-structuur heeft, maar bovenal opvalt door een sterk chromatische harmonie, uitgedrukt in de (volle) akkoorden in de rechterhand van de pianobegeleiding.
Een eerste wending komt er door de kennismaking met Paul van Ostaijen, wiens gedichten een nieuwe basis en inspiratiebron gaan vormen voor zijn liederen: de romantische stemmingmakerij in Pelemans’ muziek gaat plaats ruimen voor een ritmisch en harmonisch sterker geprononceerde stijl, als een soort muzikale vertaling van van Ostaijens literair expressionisme. Vaak is er daarbij een opvallend werken met een quasi-ostinaat begeleidingsfiguurtje, waarboven de melodie vrij gecomponeerd is en soms scherp gaat dissoneren. Door dit schrijven van muziek op “expressionistische” teksten behoort Pelemans meteen tot een vroege beweging van Nieuwe Muziek in Vlaanderen, die stilaan op gang komt tijdens het interbellum en schoorvoetend aansluiting zoekt bij internationale vernieuwingen. Hij begint echter na verloop van tijd sterk te twijfelen aan de (toegevoegde) waarde van zijn muziek bij van Ostaijens poëzie, zeker na die op erg muzikale wijze eigen gedichten te hebben horen voordragen.
Pelemans gaat zich vervolgens in de latere jaren ’20 bekennen tot avant-gardestromingen in Vlaanderen, die zich onder meer sterker willen afzetten tegen achterhaald romantisme, Benoit-epigonisme of louter functionele muziek voor Vlaams-nationalistische meetings. Enerzijds onderneemt men pogingen om Benoit tot zijn ware proporties terug te brengen, waarbij Pelemans zich met een lezing in het hol van de leeuw, in casu het Willemsfonds, niet onbetuigd laat. Anderzijds gaat men zelf een andere, meer “objectieve” muzikale taal zoeken, ontdaan van romantisch pathos en sentiment. Pelemans slaat mee die nieuwe weg in, geïnspireerd als hij is door onder meer Satie en wat hij het constructivisme van Honegger noemt.
De poëzie is in deze fase niet meer het uitgangspunt voor muziek: hij voert zelfs een tijd strijd tegen het louter “liedjeszingen”, in zijn ogen op dat ogenblik een rem op muzikale vooruitgang. In zijn eigen werken gaat hij als tegengewicht een abstractere klankkunst voorop stellen, waarbij haast alles in een radicaal instrumentaal denken lijkt te draaien rond de autonome muzikale constructie. De werken gaan zich daarbij kenmerken door een sterk lineaire schrijfwijze, met scherpe contrasten en dissonanten in melodie en harmonie. Hij zet zijn opvattingen bovendien uiteen in een boekje met als titel Architectonische Muziek, dat tot zijn eigen verbazing heel wat opzien baart. In eerste instantie is de tekst ervan immers slechts bedoeld als inleidende lezing voor zijn 100 pianostudies, die deze stijl(periode) uiteraard het best illustreren. Pelemans componeert ze als oefening in “zuiver muzikaal denken”, en – door hemzelf met zelfspot toegevoegd – “de verzuchting om te Brussel zowat de eigenaardige Vlaamse componist te spelen”. De studies zijn inderdaad bijzonder, omdat hij korte citaten uit oud-Nederlandse liederen als muzikale bouwstenen gaat gebruiken: hun (oorspronkelijke) gevoelswaarde is daarbij minder van tel (door ze als kleine cellen uit een groter geheel te lichten wordt die uiteraard meteen reeds sterk gereduceerd), het gaat voornamelijk om de mogelijkheid tot uitwerking die in de kiem aanwezig is. Op die manier staan deze werkjes ver van muziek geïnspireerd door of in dienst van buitenmuzikale zaken: de muziek dient hier zelf de muziek te sturen, of beter gezegd de muzikale kern dient reeds de verdere uitbouw vooraf te spiegelen of in zich te hebben. Pelemans stelt later wel dat zijn bedoelingen enigszins verkeerd begrepen werden, door op dergelijke wijze eenzijdig die zogenaamd modernistische zijde van de werken naar voor te halen. Hij erkent echter wel zijn eigen aandeel daarin, net door het gebruik van het in die richting sturende woord architectonisch.
Mee door zijn samenwerking met Rataillon komt hij in deze periode (eind jaren twintig, begin jaren dertig) ook tot een vorm van “musique concrète”. Het theatergezelschap werkt immers met bescheiden middelen, waardoor er niet steeds (budgettaire) ruimte is voor een (groot) muzikaal ensemble. Pelemans gaat ter vervanging soms werken met ijzeren platen, autocylinders, straatstenen etc. Om die “muziek” uitgevoerd te krijgen maakt hij bovendien een partituur die wel eens als een voorloper van de grafische partituren wordt bestempeld: op grote borden staat in tekentaal aangegeven wie wanneer waarop moet slaan. Zelf beschouwde hij dit later niet als echt grote verwezenlijkingen, eerder als “één grote anekdote”. Inderdaad staan die experimenten met hun grote vrijblijvendheid nog ver van wat Schaeffer jaren later als “musique concrète” verwezenlijkt. Ze fungeren niet als een principiële zoektocht naar klankmiddelen, maar kunnen beter gekaderd worden in een dadaïstische kunstopvatting, of ruimer binnen de typische ironie die vele avant-gardekunst uit die jaren kenmerkt. Die houding spreekt ook uit Les Mamelles de Tiresias van Guillaume Appolinaire, één van de stukken die Pelemans van dergelijke muzikale omkadering voorziet, naast bijvoorbeeld Barrabas van Michel de Ghelderode.
Een ander belangrijk werk uit die periode, niet voor de theatergroep en in vergelijking minder radicaal, is Pelemans’ oratorium De wandelende jood (1929), gebaseerd op fragmenten uit August Vermeylens gelijknamige roman. Muzikaal is Socrate van Erik Satie het lichtend voorbeeld, vooral dan door de eenvoud, het “muzikaal simplisme” dat ook Pelemans in zijn werk probeert te bewaren. Saties streng op de gesproken taal geënte recitatieven worden echter vervangen door meer melodisch getinte lijnen, in “Vlaams romantische stijl” (zoals door hemzelf omschreven), waardoor het geheel een minder statisch karakter krijgt.
Sinds het midden van de jaren dertig, maar sterker nog na de tweede wereldoorlog wordt Pelemans’ muziek minder radicaal, wat samengaat met een herwaardering van de Weense Opera en Mozart. Het bevreemdende en wat agressieve karakter van vele voorgaande werken wordt getemperd door een zekere terugkeer van lyriek en een grotere eenvoud wat betreft ritmiek, waarbij die laatste soms aan populaire muziek of dans gaat refereren. Dat resulteert vaak in een eerder blijmoedig karakter, treffend geïllustreerd door Herfstgoud (1959), een ballet vol humor, of zijn Introductie tot een Opera Buffa (1959), onderdeel van een onvoltooide opera. De vorm van die laatste is als een klassieke Italiaanse ouverture, met de opeenvolging snel/langzaam/snel: het eerste deel vormt een levendige tarantelle, met als muzikale humor voornamelijk de wisselwerking van zangerige lijnen en korte, vinnige ritmische motieven. Het tweede deel is trioachtig, en is vooral opmerkelijk omwille van een gekende ouverturetechniek: het lyrische liefdeslied uit het tweede bedrijf wordt er immers instrumentaal geanticipeerd.
Daarbij dient opgemerkt dat de lyriek van dit en ander rijper werk zich ver houdt van sentimentalisme, vermits Pelemans steeds een grote soberheid in de melodische lijnen bewaart. Die soberheid vormt meteen een algemene typering voor de werken uit deze doorgaans als ‘tweede’ bestempelde periode. In instrumentatie of dynamiek is er immers net zo min een streven naar het uiterlijke effect. Nergens blijkt een hang naar intense dramatiek, nergens pathos, zelfs niet in het Agnus Dei van zijn mis, nochtans een van zijn diepst emotionele bladzijden muziek. De stemmen verlopen er, met grote nadruk op de halve toon in het Agnus Dei-motief, in doorgaans lange notenwaarden, waarbij het orgel fragmentarisch een snellere tegenmelodie opzet. Het resultaat is uiterst emotioneel, maar nergens sentimenteel. Daardoor is een omschrijving van Pelemans als “anti-romanticus” ook voor deze tweede periode te rechtvaardigen, al is die houding minder expliciet dan in de vroegere jaren.
Wat tonaliteit betreft situeren deze latere werken zich ook in een tussenpositie: tonaal noch atonaal, misschien best te omschrijven als een licht tot sterk verwijde tonaliteit: er wordt gebruik gemaakt van “traditionele” akkoorden, maar in een erg vrije (niet functionele) aaneenschakeling, die zich ver van elke stereotypie of elk schema houdt. Dissonanties worden daarbij zeker niet gemeden, maar ondergraven nergens een uiteindelijke tonale indruk. Dergelijke losse omgang met het tonale –er zijn geen voortekeningen– illustreert ook goed de grote vrijheid die Pelemans in zijn muziek bewaart, waardoor ze buiten elk systeem lijkt te vallen. Hij was in die zin eerder een empirisch dan theoretisch componist, die zich weinig bekommerde om ideologische of theoretische achtergronden of verklaringen, maar muziek schreef vanuit een voornamelijk melodische bekommernis. In eigen woorden: “de melodie is de persoonlijkheid van de toondichter” (Gamma, 1973, nr. 2, p. 49).
De werken in de latere eigen stijl zijn dus algemeen ergens in het vrije veld tussen traditie en vernieuwing te situeren. Uiteraard is dit nog met verschillende accenten, niet in het minst door de diverse genres waarin Pelemans componeerde.
Een zwaartepunt binnen zijn oeuvre is zonder twijfel de instrumentale muziek, met bovenal een belangrijk aandeel kamermuziek, een genre dat hij als Vlaamse componist als één van de eerste weer onder de aandacht brengt. Pelemans ent zich er wat betreft vorm gedeeltelijk op de klassieke traditie. Voorbeelden zijn onder meer het saxofoonkwartet dat door de heldere muzikale bouw zelfs als een neoklassiek werk zou kunnen beschouwd worden, en de vele sonates. Daarin werkt hij doorgaans met een traditionele opbouw, zoals in de sonate voor klarinet en piano, of de sonates voor twee piano’s: een eerste deel met hoofd- en neventhema, een tweede deel in een zangerige adagiovorm en een slotdeel waarin dansachtige ritmes doorbreken. Een interessante vorm vertoont de eerste pianosonate, zeker in de eerste twee delen, die beide met hetzelfde (daardoor eenheidsscheppende) trage motief beginnen. In het eerste deel volgt daarop wel een sneller tweede thema(complex) maar is er verder geen strikte sonatevorm te bemerken.
Ook liederen blijven daarnaast, ondanks Pelemans’ tijdelijke kruistocht ertegen uiteindelijk een belangrijke plaats in zijn oeuvre bewaren. De “stijl” van de tweede periode, zeker de terugkeer van de lyriek, kwam zelfs het eerst of sterkst tot uiting in die liederen. Een goed voorbeeld zijn de drie liederen op tekst van Raymond Herreman die samen de bundel God (1941) vormen. De stijl is in vergelijking met de vroegere liederen geëvolueerd; ze onderscheiden zich door een meer bezonken tekstinterpretatie van zijn meer romantische dan wel expressionistische liederen uit de vroege jaren. Meestal wordt vertrokken van één muzikale cel, die wel een vertaling van de inhoud vormt, maar dan slechts in algemene zin, en die muzikale gedachte wordt dan verder vrij doorheen het lied verwerkt. Ook hier is op die manier de uiterste eenvoud, blijkend uit de spaarzame muzikale middelen, als een hoofdkenmerk op te merken.
Andere belangrijke vocale werken uit die tweede periode zijn de reeds vermelde Mis (1944, opvallend, net als de bundel God, voor een liberaal als Pelemans), Het standvastige tinnen soldaatje (1945), oorspronkelijk een radiospel, en de kameropera De Nozem en de Nimf (1960). Die laatste twee behoorden tot zijn populairdere werken, begrijpelijk gezien de sterk lyrische inslag. Zijn eerste opera, De mannen van Smeerop (1952) is ook te vermelden, als een goede illustratie van zijn dansachtige ritmes, voornamelijk terug te vinden in de hoekdelen van de opera.
Van de instrumentale output voor grote bezetting tot slot dienen zeker de ballades en concerto’s aangestipt. Er zijn daarnaast ook symfonieën, maar die bestempelde hij later eerder als oefeningen in orkestratie, en te sterk onder invloed van Mozart geschreven. In de Ballades komt zijn eigen stijl beter tot uiting, zoals in de tweede ballade, waar er vanuit één fluctuerend motiefje een hele melodische ontwikkeling tot stand komt: in aanvang is er slechts die fluctuatie in de hoorns, maar wanneer de fluit en later ook de ander instrumenten zich vervoegen gaan die daaruit meer uitgewerkte lyrische lijnen ontwikkelen, al blijft in aanvang steeds het basismotiefje herkenbaar. Ook het derde concerto voor orkest (1957) is interessant. Vooral het eerste deel, dat opnieuw niet zozeer een klassiek-thematische bouw heeft, wel een losse opbouw in melodische “flarden” die uit slechts twee noten of twee akkoorden worden ontwikkeld. De grote bezetting wordt daarbij soms zo uitgedund dat nog slechts één van zulke flarden weerklinkt. De melodische component van Pelemans is zoals uit deze laatste voorbeelden mag blijken niet te beschouwen als een conservatief gegeven: in zijn melos zoek Pelemans immers net naar nieuwe uitdrukkingsvormen.
In het geheel beschouwd is Willem Pelemans een componist die steeds naar “de essentie” van muziek heeft gezocht, die voor hem uiteindelijk primair in het melodische gelegen blijkt. Om die essentie te bereiken legde hij echter een wat bochtig parcours af, onder meer langs radicale experimenten die uiteindelijk vooral van betekenis waren omdat ze hem leerden zich van allerlei ballast (romantiek, sentimentalisme, pathos, Benoit) te ontdoen.
SELECTIEVE WERKLIJST
- Opera: La Rose de Bakawali: kameropera (1939); Le combat de la Vierge et du Diable: kameropera (1949); De Mannen van Smeerop (1952); De Nozem en de Nimf: kameropera (1960).
- Balletten: Miles Gloriosus (1945); Herfstgoud (1959); Pas de quattre (1969)
- Vocaal: De wandelende jood: oratorium (1929); Mis voor gemengd koor, koper en orgel (1944); Het standvastige tinnen soldaatje, radiospel (1945)
- Orkest: 6 symfonieën (1936, 1937, 1937, 1938, 1938, 1939); 8 concerti (1948, 1955, 1957, 1961, 1966, 1977, 1979, 1982); 8 ballades voor orkest (1933, 1933, 1933, 1934, 1934, 1934, 1934, 1938); 3 pianoconcerti (1945, 1950, 1967); 1 vioolconcerto (1954)
- Kamermuziek: 5 concertini (1948, 1949, 1950, 1957, 1966); 4 vioolsonates (1942, 1942, 1942, 1970); 3 pianotrio’s (1932, 1942, 1972); 3 houtblazertrio’s (1940, 1941, 1960); 8 strijkkwartetten (1942, 1943, 1943, 1944, 1955, 1961, 1970); 2 klarinetkwartetten (1961, 1970); 2 blaaskwintetten (1948, 1977).
- Liederen: diverse liederen op teksten van Gezelle, van Osatijen, Herreman
BIBLIOGRAFIE
- F. DEBOECK, Willem Pelemans (1901) als muziekkritikus van Het Laatste Nieuws, Leuven, 1985
- M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, H., Nieuwe muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998
- DENIJS, D., Willem Pelemans 75 jaar, in Gamma, 1976, nr. 2, p. 77-80
- Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, uitg. dr. L. P. GRIJP, Amsterdam, 2001
- H. HEUGHEBAERT, Willem Pelemans, in Ons Erfdeel, 1981, nr. 3, p. 446-447
- Komponeren in Vlaanderen, in Gamma, 1973, nr. 1-3
- C. MERTENS, Willem Pelemans 70 jaar, in Vlaams Muziektijdschrift, 1971, nr. 3, p. 86-87
- Music in Belgium, Contemporary Belgian Composers, uitg. dr. CeBeDeM, Brussel, 1964
- W. PAAP, Willem Pelemans, een stuk muziekgeschiedenis, in Mens en Melodie, 1972, nr. 6, p. 166-169
- F. PAPON, Willem Pelemans (75), een leven vol muziek, 1976, nr. 4, p. 22-25
- E. POPO, Willem Pelemans, anti-romanticus, in De Periscoop, 1980, nr. 9, p. 8
- P. VAN CROMBRUGGEN, Muzikale omwentelingen, deel II, Tongerlo, s.d.
- Willem Pelemans, in De Vlaamse Gids, 1991, nr. 4, p. 44-55
SELECTIEVE DISCOGRAFIE
- WILLEM PELEMANS: CHAMBER MUSIC, De Rode Pomp/Gents Muzikaal Archief 014
- Harp Kwintet, MUSIC FOR FLUTE, HARP AND STRING TRIO (Arpae Ensemble), Phaedra (In Flanders’ Fields, 12) 92012
[© 2003 Frederik Deboes, voor MATRIX]
werken
-
't Kevertje, 1957
Mezzosopraan en orkest 00:03:00 -
't Kinderuurtje, 1926
koor a cappella 00:00:00 -
't Pelske, 1977
Bariton en orkest 00:30:00 -
Ad musicam, 1962
Mezzosopraan en 4 klarinetten 00:12:00 -
Allegro, 1930
harmonieorkest 00:00:00 -
Allegro, 1934
fluit en strijkkwartet 00:00:00 -
Allegro flamenco, 1956
piano 00:03:00 -
Alpenjagerslied, 1930
2 stemmen en kamerorkest 00:03:00 -
Arm en bevrijd, 1952
middenstem en piano 00:03:00 -
Automnales - Herfstgoud, 1959
piano 00:30:00 -
Ballade nr.1, 1933
klein orkest 00:10:00 -
Ballade nr.2, 1933
orkest 00:08:00 -
Ballade nr.3, 1933
klein orkest 00:12:00 -
Ballade nr.4, 1934
klein orkest 00:15:00 -
Ballade nr.5, 1934
klein orkest 00:13:00 -
Ballade nr.6, 1934
klein orkest 00:12:00 -
Ballade nr.7, 1934
klein orkest 00:10:00 -
Ballade nr.8, 1935
klein orkest 00:12:00 -
Banaliteiten, 1944
piano 00:25:00 -
Berceuse, 1930
middenstem en piano 00:02:00 -
Berceuse, 1948
Sopraan en orgel 00:04:00 -
Berceuses, 1960
middenstem en piano 00:10:00 -
Blaaskwartet nr.2, 1977
fluit, klarinet, hoorn en fagot 00:20:00 -
Blazerskwartet nr.1, 1965
fluit, hobo, klarinet en fagot 00:14:00 -
Blazerskwintet nr.1, 1948
fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:15:00 -
Blazerskwintet nr.2, 1977
fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:15:00 -
Boek der eenzaamheid, 1941
middenstem en piano 00:14:00 -
Chanson de fou, 1933
1 middenstem en piano 00:03:00 -
Chansons, 1954
3 vrouwenstemmen en piano 00:09:00 -
Chansons de cabaret, 1963
4 gemengde stemmen (Sopraan - Alt - Tenor - Bas) 00:07:00 -
Chants, 1928
middenstem en piano 00:38:00 -
Chevaux de bois, 1930
middenstem en clavecimbel 00:03:00 -
Chevaux de bois, 1930
Mezzosopraan en clavecimbel 00:03:00 -
Clochards, 1955
middenstem en piano 00:11:00 -
Compositie, 1929
piano en orkest 00:00:00 -
Concertino, 1960
cello en strijkorkest 00:10:00 -
Concertino nr.1, 1948
kamerorkest 00:11:00 -
Concertino nr.2, 1949
kamerorkest 00:20:00 -
Concertino nr.3, 1950
fluit, klarinet, viool, altviool en cello 00:13:00 -
Concertino nr.4, 1957
strijkorkest 00:14:00 -
Concertino nr.5, 1965
fluit, hobo en strijkers 00:17:00 -
Concerto, 1954
viool en orkest 00:35:00 -
Concerto, 1951
viool en piano 00:35:00 -
Concerto, 1931
clavecimbel en orkest 00:17:00 -
Concerto, 1963
altviool en piano 00:16:00 -
Concerto, 1964
orgel en piano 00:17:00 -
Concerto, 1973
2 piano's en orkest 00:30:00 -
Concerto, 1963
2 trompetten en strijkers 00:11:00 -
Concerto, 1975
altsaxofoon en piano 00:15:00 -
Concerto, 1973
2 piano's en orkest 00:30:00 -
Concerto nr.1, 1945
piano en orkest 00:28:00 -
Concerto nr.1, 1948
symfonieorkest 00:25:00 -
Concerto nr.1, 1945
2 piano's 00:28:00 -
Concerto nr.2, 1954
orkest 00:32:00 -
Concerto nr.2, 1950
2 piano's 00:32:00 -
Concerto nr.2, 1950
piano en orkest 00:32:00 -
Concerto nr.3, 1957
orkest 00:16:00 -
Concerto nr.3, 1965
piano en orkest 00:30:00 -
Concerto nr.4, 1961
orkest 00:18:00 -
Concerto nr.5, 1966
orkest 00:19:00 -
Concerto nr.6, 1974
orkest 00:20:00 -
Concerto nr.7, 1980
orkest 00:25:00 -
Concertstuk, 1967
klarinet en piano 00:06:00 -
Croyais-tu, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Dans la rue, 1930
middenstem en clavecimbel 00:03:00 -
Danse, 1932
clavecimbel, fluit, hobo, klarinet en fagot 00:08:00 -
Danssuite nr.1, 1934
orkest 00:00:00 -
Danssuite nr.2, 1934
orkest 00:00:00 -
Danssuite nr.3, 1934
orkest 00:00:00 -
Danssuite nr.4, 1935
orkest 00:00:00 -
De berg die een muis baarde, 1948
koren (4-stemmig a cappella) 00:04:00 -
De biddende kikker, 1952
koren (4-stemmig a cappella) 00:04:00 -
De drie rozen, 1943
gemengd koor a cappella 00:12:00 -
De jongen lacht
middenstem en piano 00:00:00 -
De kikkers en hun koning, 1948
koren (4-stemmig a cappella) 00:07:00 -
De krekel en de mier, 1948
koren (4-stemmig a cappella) 00:04:00 -
De lucht hangt als een donk're kolk, 1953
middenstem en piano 00:03:00 -
De mannen van Smeerop, 1952
Soli, koor en orkest 01:20:00 -
De nozem en de nimf, 1960
Soli, dubbel vocaal kwartet en kamerorkest 00:45:00 -
De pad en de stier, 1948
koren (4-stemmig a cappella) 00:04:00 -
De rapen, 1928
middenstem en piano 00:03:00 -
De rozen dromen en dauwen, 1928
middenstem en piano 00:02:00 -
De Voedster, 1947
Contralto en piano 00:20:00 -
De vos en de raaf, 1948
koren (4-stemmig a cappella) 00:04:00 -
De waaier, 1958
mandoline, klarinet, trompet en fagot 00:14:00 -
De wandelende Jood, 1929
Recitant, vrouwenkoor, mannenkoor en orkest 01:15:00 -
De zee is tot het zonlicht geklommen, 1953
middenstem en piano 00:03:00 -
De zingende dierentuin, 1981
tweestemmig koor a cappella 00:20:00 -
Diederik en Katrina, 1957
gemengd koor en verscheidene instrumenten 00:45:00 -
Dionysisch en Kosmisch, 1941
middenstem en piano 00:11:00 -
Don Quisjot aan Dulcinea, 1952
middenstem en piano 00:03:00 -
Drie liederen, 1953
middenstem en piano 00:09:00 -
Drie liederen, 1944
vocaal kwartet en piano 00:12:00 -
Drie liederen, 1947
Tenor en piano 00:06:00 -
Drie liefdeliederen, 1962
vrouwenstem en piano 00:08:00 -
Drie poppenballet, 1935
orkest 00:00:00 -
Drie vlaamse dansen, 1926
piano 00:09:00 -
Een schip zie 'k henen varen, 1928
middenstem en piano 00:03:00 -
Een vogel van sneeuw, 1965
Mezzosopraan,Tenor, fluit, hobo en strijkorkest 00:17:00 -
Etude, 1973
piano 00:04:00 -
Etude voor klavecimbel, 1966
clavecimbel 00:04:00 -
Etuden nr.1-2-3-4, 1932
piano 00:00:00 -
Fabel, 1948
middenstem en piano 00:00:00 -
Fantasie, 1979
2 klarinetten en 7 kopers 00:15:00 -
Feuille d'automne, 1935
2 stemmen en piano 00:03:00 -
Fin d'été, 1965
Sopraan en harp 00:03:00 -
Floris en Blancefloer, 1947
Recitant, Soli, gemengde koren en orkest 01:05:00 -
Fluitkwartet, 1979
fluit, viool, altviool en cello 00:17:00 -
Fran, 1978
Sopraan en piano 00:05:00 -
Gedichtje van Sint Niklaas, 1982
2 stemmen a cappella 00:00:00 -
God, 1941
middenstem en orkest 00:25:00 -
God - Art poétique, 1941
middenstem en piano 00:25:00 -
Graf Van Verhaeren, 1971
Bariton, gitaar en cello 00:07:00 -
Gust
piano 00:00:00 -
Haïkaï, 1967
middenstem, fluit en harp 00:10:00 -
Harpkwintet, 1962
harp, fluit, viool, altviool en cello 00:11:00 -
Herfstgoud - Automnales, 1959
orkest 00:30:00 -
Het is mei
middenstem en piano 00:00:00 -
Het meezennestje
middenstem en piano 00:00:00 -
Het standvastige tinnen soldaatje - Le ferme petit soldat de plomb, 1945
Recitant, Sopraan, Bariton, vierstemmig koor 00:30:00 -
Humoresque, 1955
gitaar 00:03:00 -
Images perdues, 1955
middenstem en piano 00:20:00 -
Intermezzo, 1981
2 hobo's en 2 fagotten 00:07:00 -
Japanse verzen, 1958
Sopraan - Alt - Bariton en piano 00:08:00 -
Je n'ai que deux mains, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Je t'ai promené, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Klarinetkwartet nr.2, 1975
klarinettenkwartet 00:19:00 -
Klarinettenkwartet nr.1, 1961
4 klarinetten 00:12:00 -
Klavierkwartet, 1967
viool, altviool, cello en piano 00:20:00 -
Klein duo, 1965
fluit en gitaar 00:02:00 -
Kleine suite, 1962
kamerorkest 00:15:00 -
Kleine suite - Petite suite, 1966
strijksextet 00:13:00 -
Koperblazersonate, 1955
trompet, hoorn en trombone 00:09:00 -
Kyrie, 1945
gemengd koor, 2 hoorns, 2trp., 2 trb., violen, celli, bassi en orgel 00:08:00 -
La cigale, 1930
middenstem en clavecimbel 00:03:00 -
La Maya d'Andalousia, 1959
Tenor en piano 00:04:00 -
La Rose de Bakawali, 1939
opera 00:45:00 -
Lamento, 1928
middenstem en piano 00:05:00 -
Le bonheur, 1930
middenstem en piano 00:04:00 -
Le combat de la Vierge et du Diable, 1949
Soli, 2 voces angelicae en 4 instrumenten 00:30:00 -
Le lièvre et le chasseur, 1939
middenstem en piano 00:03:00 -
Le prisonnier de Barcelone, 1960
Tenor en piano 00:03:00 -
Le vieil accordéoniste, 1957
kwartet voor Sopraan - Tenor - Bariton en accordeon 00:07:00 -
Les jeunes filles, 1929
middenstem en piano 00:04:00 -
Les trois dames d'Albi, 1930
middenstem en clavecimbel 00:03:00 -
Lied van den zanger, 1950
Tenor en gitaar of harp of luit 00:00:00 -
Lied van den zanger, 1950
Tenor en gitaar 00:00:00 -
Lied van den zanger, 1950
Tenor en harp 00:00:00 -
Lied van den zanger, 1950
Tenor en luit 00:00:00 -
Liedjes, 1923
stem en piano 00:00:00 -
Lorenza, 1939
middenstem en piano 00:02:00 -
Ma galère, 1956
middenstem en piano 00:03:00 -
Madeleine, 1959
stem en gitaar 00:00:00 -
Madrigaal, 1952
middenstem en piano 00:03:00 -
Mars in forte, 1955
hoorn en piano 00:02:00 -
Mijn beurt, 1964
harp 00:04:00 -
Miles gloriosus, 1945
orkest 00:27:00 -
Mis, 1944
gemengd koor, orgel, strijkers en kopers 00:30:00 -
Mon petit jardin, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Mots en l'air, 1968
middenstem en piano 00:30:00 -
Nachtelijke optocht, 1976
mannenkoor a cappella 00:09:00 -
Nocturnes, 1930
clavecimbel 00:20:00 -
Notre école, 1933
middenstem en piano 00:03:00 -
O 't ruisen van het ranke riet, 1928
middenstem en piano 00:07:00 -
Offertorium, 1946
orkest en orgel 00:09:00 -
Onder de appelbomen, 1968
fluit, hobo, klarinet en fagot 00:08:00 -
Oostersche dans
piano 00:00:00 -
Oude rythmus, 1924
piano 00:00:00 -
Ouverture buffa, 1959
orkest 00:05:00 -
Pas de quatre, 1969
orkest 00:20:00 -
Pas-de-trois, 1955
viool, cello en piano 00:12:00 -
Paul Van Ostayen-liederen, 1929
middenstem en orkest 00:10:25 -
Pianoduet nr.1, 1929
2 piano's 00:15:00 -
Pianoduet nr.2, 1930
2 piano's 00:15:00 -
Pianotrio nr.2, 1942
viool, cello en piano 00:16:00 -
Pianotrio nr.2, 1942
viool, cello en piano 00:16:00 -
Pianotrio nr.3, 1972
viool, cello en piano 00:13:00 -
Piet en de pijp - Pierre et la pipe, 1963
vocaal kwartet, harp, trompet en blaaskwintet 00:25:00 -
Poésies, 1953
middenstem en piano 00:25:00 -
Politieman, 1929
Tenor en orgel 00:00:00 -
Polonaise, 1930
2 stemmen en kamerorkest 00:00:00 -
Preludium, aria en wals, 1963
harp 00:06:00 -
Quand jolie fille, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Rijke armoede van de trekharmonica, 1930
2 stemmen en kamerorkest 00:00:00 -
Romance, 1980
6 saxofoons 00:08:00 -
Romance sans musique, 1930
middenstem en clavecimbel 00:03:00 -
Ronde, 1928
middenstem en piano 00:03:00 -
Rondo
fluit en marimba 00:00:00 -
Saxofonenkwartet, 1965
saxofoonkwartet 00:12:00 -
Schetsen voor een Buffa-Opera, 1952
kamerorkest 00:14:00 -
Sept personnages de James Ensor, 1933
clavecimbel 00:13:00 -
Serenade en dans, 1947
altviool en piano 00:09:00 -
Sextuor, 1968
2 trompetten in si b, 2 hoorns in fa, 2 trombones in ut 00:13:00 -
Six nocturnes, 1930
clavecimbel 00:20:00 -
Sonate, 1945
altviool en piano 00:25:00 -
Sonate, 1947
cello 00:15:00 -
Sonate, 1959
cello en piano 00:09:00 -
Sonate, 1961
piano vierhandig 00:11:00 -
Sonate, 1961
klarinet en piano 00:11:00 -
Sonate, 1965
2 gitaren 00:08:00 -
Sonate, 1967
fluit en harp 00:11:00 -
Sonate, 1959
fluit en clavecimbel of piano 00:12:00 -
Sonate, 1977
piano 00:00:00 -
Sonate, 1941
fagot en piano 00:00:00 -
Sonate, 1959
fluit en piano 00:12:00 -
Sonate, 1959
clavecimbel en piano 00:12:00 -
Sonate, 1946
cello en fagot 00:15:00 -
Sonate, 1955
viool 00:08:00 -
Sonate I, 1942
viool en piano 00:17:00 -
Sonate II, 1942
viool en piano 00:15:00 -
Sonate III, 1942
viool en piano 00:18:00 -
Sonate in trio, 1955
fluit, hobo, piano 00:10:00 -
Sonate IV, 1970
viool en piano 00:16:00 -
Sonate nr.01, 1947
2 piano's 00:20:00 -
Sonate nr.01, 1935
piano 00:11:00 -
Sonate nr.02, 1954
2 piano's 00:20:00 -
Sonate nr.02, 1936
piano 00:12:00 -
Sonate nr.02 in trio, 1956
fluit, hobo en piano 00:10:00 -
Sonate nr.03, 1937
piano 00:10:00 -
Sonate nr.04, 1937
piano 00:12:00 -
Sonate nr.05, 1938
piano 00:11:00 -
Sonate nr.06, 1939
piano 00:10:00 -
Sonate nr.07, 1939
piano 00:12:00 -
Sonate nr.08, 1940
piano 00:11:00 -
Sonate nr.09, 1940
piano 00:10:00 -
Sonate nr.10, 1940
piano 00:13:00 -
Sonate nr.10, 1940
piano 00:13:00 -
Sonate nr.11, 1940
piano 00:10:00 -
Sonate nr.12, 1940
piano 00:09:00 -
Sonate nr.13, 1941
piano 00:10:00 -
Sonate nr.14, 1942
piano 00:12:00 -
Sonate nr.15, 1944
piano 00:12:00 -
Sonate nr.16, 1948
piano 00:12:00 -
Sonate nr.17, 1968
piano 00:12:00 -
Sonate nr.18, 1969
piano 00:12:00 -
Sonate nr.19, 1969
piano 00:20:00 -
Sonatine, 1967
klarinet en piano 00:09:00 -
Speelse wals, 1976
gitaar 00:03:00 -
Stemmingsvoorspel, 1945
violen, celli, contrabassen, 2 hoorns, 2 trompetten, 2 trombones, orgel 00:03:00 -
Strijkkwartet nr.1, 1942
2 violen, alt en cello 00:20:00 -
Strijkkwartet nr.2, 1943
2 violen, alt en cello 00:25:00 -
Strijkkwartet nr.3, 1943
2 violen, alt en cello 00:20:00 -
Strijkkwartet nr.4, 1943
2 violen, alt en cello 00:20:00 -
Strijkkwartet nr.5, 1944
2 violen, alt en cello 00:30:00 -
Strijkkwartet nr.6, 1955
2 violen, alt en cello 00:12:00 -
Strijkkwartet nr.7, 1961
2 violen, alt en cello 00:09:00 -
Strijkkwartet nr.8, 1970
2 violen, alt en cello 00:17:00 -
Suite, 1954
trompet en piano 00:12:00 -
Suite, 1968
2 gitaren 00:16:00 -
Suite, 1934
hobo, klarinet en piano 00:00:00 -
Suite, 1954
2 Soprani, Mezzo, Alt en harp 00:00:00 -
Suite, 1946
Alt en cello 00:07:00 -
Suite (nr.5?), 1961
piano 00:00:00 -
Suite nr.1, 1932
piano 00:12:00 -
Suite nr.2, 1933
piano 00:12:00 -
Suite nr.3, 1933
piano 00:14:00 -
Suite nr.4, 1933
piano 00:15:00 -
Suite voor jonge pianisten, 1982
piano 00:10:00 -
Symfonie nr.1, 1936
kamerorkest 00:25:00 -
Symfonie nr.2, 1937
klein orkest 00:30:00 -
Symfonie nr.3, 1937
klein orkest 00:25:00 -
Symfonie nr.4, 1938
klein orkest 00:20:00 -
Symfonie nr.5, 1938
klein orkest 00:25:00 -
Symfonie nr.6, 1939
klein orkest 00:25:00 -
Symfonie nr.7, 1940
orkest 00:00:00 -
Tien kinderliedjes, 1952
middenstem of unisono kinderkoor en piano 00:25:00 -
Toccata 1, 1948
piano 00:05:00 -
Toccata 2, 1951
piano 00:05:00 -
Toccata 3, 1951
piano 00:05:00 -
Toms droomen, 1929
piano 00:10:00 -
Trio, 1957
2 violen en piano 00:13:00 -
Trio, 1969
fluit, altviool, contrabas 00:16:00 -
Trio, 1971
2 hobo's, Engelse hoorn 00:19:00 -
Trio nr.1, 1932
viool, cello en piano 00:17:00 -
Trio nr.2 (1), 1941
hobo, klarinet en fagot 00:12:00 -
Trio nr.3, 1960
hobo, klarinet en fagot 00:13:00 -
Trio nr.3 (2), 1941
hobo, klarinet en fagot 00:12:00 -
Trio nr.5 (3), 1945
viool, altviool, cello 00:15:00 -
Trio-concerto, 1941
hobo, klarinet, fagot en strijkkwartet 00:14:00 -
Trois chansons, 1968
Bariton en orkest 00:17:00 -
Troostliedeken, 1928
middenstem en piano 00:04:00 -
Tu étais, 1955
middenstem en piano 00:02:00 -
Twee kinderkoren 1, 1974
Kinderkoor en piano 00:04:00 -
Twee kinderkoren 2, 1974
Kinderkoor en piano 00:03:00 -
Twee liederen uit "De Voedster", 1945
midden- of lage stem en orkest 00:00:00 -
Twee liederen uit "De Voedster", 1945
middenstem en orkest 00:00:00 -
Twee liederen uit "De Voedster", 1945
Bas en orkest 00:00:00 -
Uit het liederboek van Petrus Snep, 1930
Sopraan en 2 piano's 00:00:00 -
Uit Psalm 83, 1948
Sopraan en orgel 00:04:00 -
Van Ostayen-liederen, 1929
middenstem en piano 00:15:30 -
Van Ostayen-suite, 1981
Sopraan, Tenor, mannenkoor, vrouwenkoor en orkest 00:30:00 -
Vijftienjarig Negermeisje, 1961
Alt en piano 00:03:00 -
Vita nuova, 1951
middenstem en piano 00:03:00 -
Vlaamse dans, 1956
gitaar 00:03:00 -
Voor kleine Frida, 1962
driestemmig koor a cappella 00:00:00 -
Vous souvient-il, 1930
middenstem en clavecimbel 00:04:00 -
Walssonate, 1949
altviool en piano 00:12:00 -
Wandellied, 1977
kinderkoor en orkest 00:09:00 -
Wie zijn dag niet mint zal ten onder gaan, 1941
middenstem en piano 00:12:00 -
Wilde rozen, 1951
Contralto en piano 00:15:00 -
Wolkendroom, 1933
middenstem en piano 00:00:00 -
XVIII Preludiums voor orgel, 1932
orgel 00:00:00 -
Zangstukken, 1928
middenstem en piano 00:00:00 -
Zeemansliederen - 1er recueil, 1961
middenstem en piano 00:00:00 -
Zeemansliederen - 2e recueil, 1961
middenstem en piano 00:00:00 -
Zeemansliederen - 3e recueil, 1962
middenstem en piano 00:00:00 -
Zes kleine studies, 1963
gitaar 00:09:00 -
Zes preludes, 1976
2 gitaren 00:18:00 -
Zes romances, 1973
gitaar 00:13:00 -
Zeven liederen, 1953
Sopraan en piano 00:21:00 -
Zeven schetsen, 1974
gitaar 00:18:00 -
Zingen, 1946
gemengd koor, trompet en strijkers 00:17:00
