CeBeDeM

CeBeDeM

index
van de aangesloten componisten

D'HAENE, Rafaël

Rafaël D'HAENE werd geboren te Gullegem op 29 september 1943 en studeerde tussen 1962 en 1967 aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel piano (klas van E. del Pueyo), harmonie (J. Louël), contrapunt (V. Legley) en fuga (M. Quinet). Aan de Ecole Normale de Musique de Paris behaalde hij onder supervisie van H. Dutilleux een "licence de Composition" in 1968. Daarna studeerde hij 3 jaar compositie in de klas van Victor Legley aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth waar hij in 1971 het diploma "Gegradueerde van de Muziekkapel voor Compositie" behaalde.
Sinds 1970 is Rafaël D'Haene leraar harmonie en vervolgens contrapunt, fuga en compositie aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Hij doceert sinds 1985 ook muziekanalyse aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth en van 1986 tot 2003 compositie.
Als componist vielen Rafaël D'Haene reeds verschillende nationale en internationale onderscheidingen te beurt. Na de compositiewedstrijd van de Provincie West-Vlaanderen (1969) en de prijs Tenuto (1972, met het orkestwerk Capriccio), verwierf hij de eerste prijs op de internationale compositiewedstrijd in Alicante met zijn cantate Klage der Ariadne (1972). In 1977 werd hij te Parijs bekroond met de prijs Lili Boulanger voor zijn volledige oeuvre. In 1980 en 1981 volgden de Eugène Baie-prijs (Antwerpen) en de Koopal-prijs (voor orkestmuziek). Tenslotte werd hem in 1985 de prijs "Gebroeders Darche" voor het volledig werk toegekend door het Patrimonium Koninklijk Conservatorium Brussel en in 1989 de prijs SABAM voor serieuze muziek. In 1999 was Rafaël D'Haene jurylid voor compositie voor de Koningin Elisabeth-wedstrijd.
In 2002 en 2004 won hij La Bourse de Perfectionnement Emile Bernheim van de Muziekkapel Koningin Elisabeth.

WERKBESPREKING
Rafaël D'Haene wil met zijn werk een rem zetten op de snelle evolutie van deze eeuw die de kunst volgens hem regelrecht naar een toren van Babel leidt waar niemand elkaar nog begrijpt. Hij sluit zich daarbij niet af voor deze eeuw, maar neemt zijn verantwoordelijkheid op: om een wereld van onverschilligheid en agressie te veranderen is een andere ethiek en esthetiek nodig. Die vindt hij niet in het experiment dat volgens hem enkel een gemakkelijkheidsoplossing is. De adequate tegenoplossing ligt voor D'Haene in het respecteren van de traditie.

Componeren betekent dan streven naar een klassiek schoonheidsideaal dat samenvalt met het ideaal van de 19de eeuw. Op het vlak van instrumentatie betekent dat dat het experiment uit de weg gegaan wordt en dat D'Haene kiest voor de authentieke kleur van elk instrument. Daardoor klinkt de muziek herkenbaar en naar dat doel worden ook alle andere parameters gericht: heldere en stevige vormgeving, eenduidig tempo, intense overgangsdynamiek die zorgt voor dramatiek en expressie. De nostalgie naar de verloren muziektaal blijkt bijvoorbeeld uit de ongebroken 19de-eeuwse romantiek van het Vioolconcerto van 1989 waarmee D'Haene wil tonen dat Paganini nog voortleeft. Dat werkt soms wat voorspelbaar: crescendo's gaan vaak gepaard met paukenroffels of een humoristisch motiefje wordt de fagot toebedeeld.

D'Haene staat voor een uiterste consequentie in muziek. Daarom schermt hij zich af voor de veelheid van invloeden en beperkt hij zich tot het gekozen materiaal. Een compositie moet als een consistent geheel opgebouwd worden, waarin alles logisch uit het voorgaande wordt afgeleid. Die thematische ontwikkeling bereikt D'Haene door zijn contrapunt dat de katalysator is van zijn compositorische creativiteit. Via de contrapuntische techniek creëert hij een hoogst persoonlijke muzikale taal. Uit een minimum aan materiaal put hij een maximum aan muziek. Voor de horizontale, melodische dimensie betekent dat dat hij werkt met enkele basismotieven. Die nemen allerlei gedaanten aan, maar vertonen tegelijk een sterke coherentie aangezien alles vanuit één kiemcel ontwikkeld is. Ook harmonisch leidt D'Haene alles af uit één basisgegeven. Zo zijn de harmonische steunpunten van het eerste van zijn 9 stukken voor piano (1968) opgebouwd uit dezelfde afwisseling van intervallen (een kleine en grote terts) als die van het melodisch kernmotief. Via deze en andere technieken realiseert D'Haene een contrapuntische schrijfwijze par excellence, waarin niet enkel de verschillende stemmen melodisch uitgebalanceerd, gefraseerd en interessant zijn, maar waarin bovendien een harmonische structuur aanwezig is die tegelijkertijd intrinsiek consistent én uit eenzelfde basismateriaal (als dat van de melodische stemmen) afgeleid is. Het ontbreken van een rationele opbouw noemt D'Haene dan ook het probleem van het grootste deel van de avant-garde die vernieuwend werkt om een gebrek aan muzikale logica te verdoezelen.

Naast het beredeneerde schuilt er ook altijd iets subjectief in D'Haenes werk. Muziek is voor hem tegelijkertijd een persoonlijk uitdrukkingsmiddel, een allesomvattende filosofie en een religie. Kunst is de blijvende getuigenis van een tijd, van het persoonlijk beleven van een gebeurtenis rond hem en de uitdrukking van de invloed die ze op hem hebben. In die zin gebruikte D'Haene voor een aantal composities teksten die overeenstemden met zijn persoonlijke situatie en interesses op dat moment (Nietzsche, Wilde, Van Ostaijen, Rilke). De muziek wil dan een getrouwe uitbeelding zijn van de symboliek of thematiek van deze teksten (bv. Sonnette an Orpheus op tekst van Rilke en Klage der Ariadne op tekst van Nietzsche).

D'Haene ziet geen evolutie in zijn stijl en streeft niet naar iets grensverleggends. Hij koestert veeleer de intentie om zijn muziek klassiek te laten worden zodat die voor alle tijden een boodschap kan uitdragen.
Intrada e toccata, een werk voor kamerorkest dat D’Haene in 2005 schreef voor de openingsplechtigheid van 175 jaar België, sluit hier in alle opzichten bij aan. De compositie is uitgebalanceerd en heeft een heldere structuur. De eerste 8 maten vormen een klassieke statische langzame inleiding, waarna geleidelijk aan een meer toccata-achtig materiaal wordt aangebracht. Dit segment wordt afgerond met een gevarieerde herneming van de langzame inleiding, waarna de eigenlijke toccata begint. Deze toccata, die het grootste deel van de compositie uitmaakt, wordt gedomineerd door een motorische ritmiek van zestiende noten, soms gecombineerd met syncopische ritmes. Tot slot wordt er teruggekeerd naar het materiaal en de textuur van het begin, dat hier als plechtige afsluiting van het werk wordt aangewend.

SELECTIEVE WERKLIJST
- Orkest: Capriccio (1972); Preludia (1975-76); Lettres Persanes (1986);
Vioolconcerto (1989); L’Ombre du passé (Symfonie nr. 2) (2001); Intrada e toccata (2005)
- Koor: Miroir des vanités (1970)
- Liederen: Werk uit Roemenië (1969); Impressions (1977); A Bridal Song voor sopraan en strijktrio, tekst: P.B. Shelley (2004)
- Vocaal-instrumentaal: 5 Orkestliederen (1972); Sonette an Orpheus (1987)
- Kamermuziek: Sonate voor trompet en piano (1970); Strijkkwartet (1971); Cassazioni (1986); Dithyramben (1988); Sonata per violino e pianoforte (2003)
- Pianomuziek: 9 stukken voor piano (1968); Sei Canzone (1980-81)

SELECTIEVE BIBLIOGRAFIE
- M. DELAERE, Contrapunt en creativiteit. De muzikale taal van Rafaël D'Haene, in
Ons Erfdeel, 35, 1992, p.423-429
- M. DELAERE, Y. KNOCKAERT, H. SABBE, De modernisten. Generatie °1940-
'50, in Nieuwe muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998, p. 120-122
- H. GOEDGEZELSCHAP, Rafaël D'Haene. Verhandeling tot het verkrijgen van de
graad van Licentiaat in de Oudheidkunde en de Kunstgeschiedenis, Leuven,
1989
- J. MAERTENS, art. Rafaël D’Haene, in Lexicon van de Muziek in West-Vlaanderen, vol. 4, 2003
- SABAM, 1989, p.99-100
- F. VERDONK, Componeren volgens Spinoza, in Muziek & Woord, 16, 1990, p.29-
30
- F. VERDONK, Componeren in de twintigste eeuw, in Muziek & Woord, 19, 1993,
p.41

SELECTIEVE DISCOGRAFIE
- Tema e variazioni per chitarra (Karel Fleischinger), KAREL FLEISCHINGER PLAYS CLASSICAL GUITAR, Studio Principuum
- Reminiscenza, LEXICON VAN DE MUZIEK IN WEST-VLAANDEREN (BRTN-Filharmonisch Orkest o.l.v. Alexander Rahbari), 2003


[© 2001 Pieter Vandamme, voor MATRIX ; © 2005 Rebecca Diependaele, voor MATRIX (update)]

werken

  • A bridal song op. 27, 2004
    Sopraan en strijktrio 00:07:00
  • A bridal song op. 27, 2004
    Sopraan en piano 00:07:00
  • Cassazione op. 15, 1985
    viool, cello en piano 00:21:00
  • Concerto op. 19, 1990
    viool en orkest 00:27:00
  • Dithyramben op. 18, 1988
    viool, cello en piano 00:18:00
  • Impressions op. 12, 1977
    Mezzosopraan en piano 00:16:00
  • Intermezzi op. 9, 1973
    altviool 00:11:00
  • Intrada e Toccata op. 28, 2005
    kamerorkest 00:09:00
  • Klage der Ariadne op. 7, 1971
    gemengd koor, Mez., Bar. solo en orkest 00:28:00
  • Lettres persanes op. 16, 1986
    orkest 00:21:00
  • Miroir des vanités op. 4, 1969
    koor a cappella 00:10:00
  • Negen stukken op. 1, 1968
    piano 00:12:00
  • Praeludia op. 11, 1976
    orkest 00:20:00
  • Reminiscenza op. 21, 1995
    orkest 00:17:00
  • Sei canzone op. 14, 1980
    piano 00:16:00
  • Sonata op. 26, 2003
    viool en piano 00:26:00
  • Sonate op. 3, 1969
    trompet en piano 00:13:00
  • Sonette an Orpheus op. 17, 1987
    Sopraan en orkest 00:20:00
  • Sonette an Orpheus op. 17, 1987
    Sopraan en piano 00:20:00
  • Strijkkwartet op. 5, 1970
    2 violen, alt en cello 00:17:00
  • Toccata fantasia op. 24, 2000
    harp 00:07:00
  • Trio voor strijkers op. 20, 1992
    viool, altviool, cello 00:23:00
  • Vijf orkestliederen op gedichten van Paul van Ostaijen op. 8, 1972
    middenstem en orkest 00:17:00
  • Vocalise op. 10, 1973
    middenstem en piano 00:06:00
  • Vocalise op. 10, 1973
    lage stem (getransponeerde versie) en piano 00:06:00
Bladzijdes :
1 2 3