CeBeDeM

CeBeDeM

index
van de aangesloten componisten

COX, Boudewijn

Boudewijn COX behaalde einddiploma's voor gitaar, kamermuziek, harmonie en contrapunt aan het Lemmensinstituut te Leuven, waar hij zich vervolmaakte bij Luc Van Hove (compositie) en bij Christian Vereecke (fuga). Als componist sleepte hij diverse prijzen in de wacht: met Hommage à Ohana (tevens het opgelegde werk in de halve finale van de Internationale Gitaarwedstrijd Printemps de la Guitare - 1994 te Walcourt) won hij de eerste prijs in de compositiewedstrijd voor klassieke gitaar georganiseerd door BAP SABAM. Hij behaalde de Prometheusprijs in 1995 met zijn Octet voor houtblazersensemble. Onyx voor orkest werd in 1997 te Wenen onderscheiden met een ‘highly special commendation’ op de Vienna Modern Masters 6th International Orchestral Recording Award Competition en een jaar later werd Boudewijn Cox bekroond met de Jeugd en Muziekprijs 1998 voor Compositie. Bekendheid bij een breder publiek kreeg hij met het pianowerk Prelude dat als verplicht werk op de halve finale van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth 1999 werd uitgekozen.
Cox componeert bijna uitsluitend in opdracht. In 2002 creërde het Vlaams Radio Orkest zijn Tableau in het CC van Hasselt, met verdere opvoeringen in De Bijloke te Gent, CC De Spil te Roeselaere en Theater aan de Parade te 's-Hertogenbosch. In datzelfde jaar werd Equinox voor piano, een compositieopdracht van de Amerikaanse pianiste Jenny Lin, uitgevoerd in De Rode Pomp te Gent, het Festival van Vlaanderen Mechelen en de Carnegie Hall te New York. Boudewijn Cox geeft les aan de academies van Wemmel en Beveren.

WERK
Via het componeren van popmuziek en jazz, raakte Boudewijn Cox rond 1989 geïnteresseerd in het componeren van zogenaamde ‘klassieke’ muziek. Zijn composities tot aan Prelude voor piano (1999) beschouwt Boudewijn Cox eerder als studiewerken, waarin hij zoekt naar een persoonlijke en consistente taal. Ravel, Bartok, Berg en Schönberg waren bij aanvang belangrijke inspiratiebronnen, vooral op gebied van orkestrale kleuren. Het tweedelige Onyx (1994-96) is een eerste orkestrale zoektocht naar beheersing en samenhang in zijn compositorische taal.

Voor de melodische en harmonische basis van zijn Strijkkwartet (1997) experimenteert Boudewijn Cox met enkele verworvenheden uit de pitch class set analysis van Allen Forte. Zijn Prelude voor piano (1999) is de eerste compositie waar vanuit deze analytische zienswijze een consistente harmonie en dus een bevredigend resultaat verkregen wordt. Vanaf 1999 past hij dit systeem dan ook stelselmatig toe in al zijn composities.
Deze settheorie reikt de componist de hulpmiddelen aan om van een variabele tooncollectie, bij Cox meestal 8 tonen, de intervalinhoud te gaan onderzoeken. Via transpositie en inversie gaat hij dan op zoek naar onderlinge verbanden om met de bekomen relaties een stamboom van verwante sets te creëren. Deze toonverzamelingen, die functioneren als melodisch en harmonisch basismateriaal, bieden dankzij hun onderlinge relaties structuur en houvast aan de aandachtige luisteraar. Op dat gebied treedt er een grote verwantschap op met het tonale mechanisme; verschillende tonaliteiten worden van elkaar afgeleid uit de kwintencirkel en vormen zo een netwerk van onderlinge relaties.
In zijn werken voor kleinere bezetting hanteert de componist regelmatig een perpetuum mobile met enkele tonen uit een set waarboven zich dan een subtiele melodie ontvouwt met de andere tonen. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn Prelude en Passages voor 10-snarige gitaar (2000).

Cox hecht veel belang aan een overzichtelijke vorm en toont hierin zijn grote affiniteit met de klassiek-romantische traditie: motieven worden hoorbaar verdicht, uitgebreid en hernomen en passen zich in in traditionele macrostructuren zoals de ABA’ – vorm in Prelude. Dit bevordert de communicatie met de luisteraar, hetgeen centraal staat in zijn esthetiek. Vanuit dit kader experimenteert hij in Equinox (2002) voor piano ook met aloude begrippen zoals spanning en ontlading. Dit doet hij zowel in de grotere gehelen door een hectisch eerste deel te laten volgen door een lyrisch en meditatief slot, als in de kleinere segmenten door dissonanten af te wisselen met meer consonante intervallen. De harmonie blijft echter atonaal, maar tonale elementen worden hier zeker niet geweerd.

Wat de componist precies wil overbrengen aan de toehoorder is een blauwdruk van zichzelf. Dit tracht hij te realiseren met een poëtische taal waarin expressie centraal staat. Techniek is hierbij, zoals eerder vermeld, louter een essentieel medium. Dat neemt niet weg dat hij een grote uitdaging ziet in de permanente renovatie van zijn muzikale taal en dit zelfs, vanuit zijn artistieke ambitie, als een dwingende claim beschouwt. Componeren is voor hem dus een eeuwige zoektocht naar telkens iets anders; elk bevredigend antwoord op een compositorisch vraagstuk creëert tegelijk een nieuwe uitdaging tot verandering. Hij verzet zich dan ook tegen serialistische stromingen die hij verwijt slaaf te zijn van hun eigen compositietechnieken en
die daardoor soms zelfs in clichés dreigen te vervallen. Bij het aanwenden van een set vermijdt hij dan ook de strenge regels van het serialisme, zoals het hanteren van een strikte volgorde, die hij als een beknotting van de creativiteit en expressiviteit ervaart.

Terwijl Boudewijn Cox in zijn werken voor kleinere bezetting vooral eenheid schept door thematisch-motivische verwerking, werkt hij in zijn orkestwerken opvallend veel met timbre als structurerend element. Cox is dan ook een virtuoos orkestrator met een fijnzinnig gevoel voor klankkleurcombinaties. Het werk Da Una Certa Distanza (1999) is met zijn subtiel verschuivende klankwolken duidelijk op de leest van Ligeti geschoeid; een zeer langzame melodie wordt verdoezeld doordat de verscheidene stemmen op een verschillende moment van toon veranderen. Vervolgens wordt de puls versneld waardoor het klankbeeld naar het einde toe sterk doet denken aan de micropolyfonie in Ligeti’s Atmosphères.

Een duidelijke illustratie van Boudewijn Cox’ permanente vernieuwingsdrang is het orkestwerk Tableau (2002). In dit werk gaat hij de uitdaging aan om harmonie en klankkleur aan elkaar te koppelen door middel van zogenaamde ‘spectrale harmonie’. Boven elke toon van zijn melodie plaatst hij die boventonen, die bij een bij een bepaald instrument meeklinken en de klankkleur ervan bepalen. Zo probeert hij het timbre van het desbetreffende instrument zo dicht mogelijk te benaderen. Omdat per klankkleur bepaalde boventonen zachter en andere luider klinken, hanteert hij verschillende dynamische aanduidingen in de diverse stemmen om de juiste balans te verkrijgen. De grote uitdaging voor de componist en voor het orkest is om het specifieke timbre zo precies mogelijk voor te stellen. Naar het einde toe evolueert het werk naar een zeer dynamisch en dramatisch geheel waar zeer manifeste motieven afwisselen met verdoezelende effecten zoals hamerende clusters die sterk aan Ligeti doen denken.

SELECTIEVE WERKLIJST
- Vocaal: Voyelles voor 16-stemmig koor a cappella (tekst: Arthur Rimbaud) (1999);
De mim mesmo viandante voor 3 blokfluiten, marimba & sopraan (tekst: Fernando Pessoa) (2002)
- Orkest: Onyx voor symfonisch orkest (1994-1996); Suite voor harmonieorkest (1998); Adagio voor hoorn en harmonieorkest (1999); Da Una Certa Distanza voor symfonisch orkest (1999); Tableau voor symfonisch orkest (2002)
- Kamermuziek: Octet voor houtblaaskwintet, percussie, viool en cello (1995); Strijkkwartet (1997); Prelude voor piano (1998); Gordia voor mandoline en gitaar (1998); Incantation voor groot saxofoon ensemble (1999); Intermezzo, voor vierhandig klavier (1999); Passages voor 10-snarige gitaar (2000); Endosmosis voor dubbel houtblaaskwintet, piano & 2 dansers (2000); Cumulus voor beiaard (2001); Equinox voor piano (2002)
- Balletmuziek: Prikkeldraad (1998)
- Muziektheater: De Grote Zeven en de Valse Kat (tekst: Luk Van Brussel - regie: Hugo Segers) (2002)

DISCOGRAFIE
- Adagio for Horn, COLORS (Symphonic Windorchestra Conservatory Antwerp o.l.v. Dirk de Caluwe), Beriato Music WWM 500.054
- Prelude, THE QUEEN ELISABETH INTERNATIONAL COMPETITION OF BELGIUM – 1999 PIANO, Cyprès CYP 9607
- Onyx, NEW MUSIC FOR ORCHESTRA: MUSIC FROM SIX CONTINENTS (Moravian Philharmonic o.l.v. Jiri Mikula, Owensboro Symphony o.l.v. Michael Luxner), VMM Distributors VMM 3044


[© 2003 MATRIX]

werken

  • Adagio, 1999
    harmonieorkest 00:05:00
  • Caccia, 2003
    piano 00:05:00
  • Da una certa distanza, 1999
    orkest 00:15:00
  • Dôky Doov'
    harmonieorkest 00:03:40
  • De mim mesmo viandante, 2002
    Sopraan, 3 blokfluiten en marimba 00:10:20
  • Earl Grey, 2000
    gitaar 00:01:09
  • Endosmosis, 2000
    dubbel houtblaaskwintet, piano en 2 dansers 00:22:00
  • Equinox, 2002
    piano 00:08:30
  • Gordia, 1998
    mandoline en gitaar 00:14:00
  • Hommage à Ohana, 1993
    gitaar 00:00:00
  • Intermezzo, 1999
    piano vierhandig 00:00:00
  • Kleine ode
    viool en piano 00:00:00
  • Memento, 1990
    10-snarige gitaar 00:00:00
  • Niim, 2003
    blokfluit en gitaar 00:07:45
  • Octet, 1995
    blaaskwintet, slagwerk, viool en cello 00:09:00
  • Onyx, 1996
    orkest 00:12:13
  • Passages, 2000
    10-snarige gitaar 00:13:30
  • Prelude, 1998
    piano 00:05:28
  • Sonate, 1998
    fluit en piano 00:00:00
  • Strijkkwartet, 1997
    2 violen, alt en cello 00:15:00
  • Suite, 1998
    harmonieorkest 00:12:00
  • Tableau, 2002
    orkest 00:07:00
  • Tea Time, 2000
    gitaar 00:00:00
  • Voyelles, 1999
    gemengd koor a cappella 00:06:00
Bladzijdes :
1 2 3