CeBeDeM

CeBeDeM

index
van de aangesloten componisten

CAMP, Bram VAN

Bram VAN CAMP werd geboren op 4 juni 1980 in Wilrijk (Antwerpen). Hij schreef zijn eerste composities op negenjarige leeftijd. Hij studeerde viool, piano en muziekschriftuur aan de Muziekacademie der Noorderkempen in Kalmthout. Daar beëindigde hij zijn studie met grootste onderscheiding voor viool. Hij vervolgde zijn opleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen (1998-2003). Hier volgde hij viool bij Vegard Nilsen en Kees Koelmans, compositie bij Wim Henderickx en piano bij Pascal Sigrist. In 2003 behaalde Van Camp zijn diploma Meester in Muziek voor viool, compositie, contrapunt en fuga met grote onderscheiding.

Eveneens behaalde hij het Finaliteitdiploma voor kamermuziek. Daarna studeerde hij compositie aan het Conservatorium van Amsterdam in de klassen van Wim Henderickx en Theo Loevendie. Daarnaast volgde hij ook lessen bij onder meer Daan Manneke, Klaas de Vries en Fabio Nieder. Van Camp volgde masterclasses bij onder andere Michael Finnissy en James Wood. Hij behaalde verschillende prijzen. Zo won hij de Aquarius-compositiewedstrijd met Rapsodie voor viool en orkest (1999) en verkreeg de BAP-prijs (Belgische Artistieke Promotie) van SABAM voor Trio voor klarinet, altviool en piano (2002). Van Camp werkte aan projecten met verschillende ensembles waaronder de Beethoven-Academie, het Hermes Ensemble, het Syrinx Ensemble, het Kandinsky Strijkkwartet en het Nederlandse Nieuw Ensemble. Hij schreef ook verschillende composities in opdracht van deSingel, het Festival van Vlaanderen en Ars Musica. Naast zijn activiteiten als componist is hij ook actief als violist. In 2003 was hij solist bij het Ensemble voor Nieuwe Muziek van het Conservatorium van Amsterdam en creëerde hij het Vioolconcerto van Henrik Hellstenius op de ISCM Music Days in Ljubljana. Momenteel werkt hij aan een orkestwerk in opdracht van deFilharmonie.

WERKBESPREKING
Bram Van Camp vertrekt voor zijn composities vanuit het auditieve, vanuit zijn voorstelling hoe muziek zou moeten klinken. Vanuit deze empirische werkwijze bedenkt hij dan een systeem om de muziek te structureren en vorm te geven. Hij maakt dan ook gebruik van verschillende toonsystemen. Van modaliteit met een overheersend tooncentrum (Rapsodie) naar vrije atonaliteit (Trio, Etude), over dodecafonie (Ricercare, Sonate voor viool en piano) naar microtonaliteit (273’’, Strijkkwartet). Een belangrijk gegeven daarbij is “evolutie”. Van Camp wil in elke compositie iets nieuws doen ten opzichte van de voorgaande compositie. In de meeste van zijn composities maakt hij gebruik van wiskundige reeksen en de gulden snede. Het is voor Van Camp van groot belang om elke muzikale parameter exact te kunnen duiden en verklaren. Vandaar zijn voorliefde voor recursieve reeksen als de chaosreeks, Lucasreeks en de Fibonacci-reeks. Toch zijn deze reeksen, net als de serialiteit, slechts een compositiemiddel en niet het doel op zich.

Zijn interesse in de gulden snede ontstond doordat hij opmerkte dat zijn composities intuïtief naar een climax gingen op ongeveer 2/3 van de tijdsstructuur. Dit stemt overeen met de verhouding van de gulden snede. Omdat hij de vorm van zijn Ricercare wilde vastleggen, heeft hij hier de gulden snede gebruikt. Zo bepaalde hij precompositorisch dat de climax in maat 41 zou liggen, precies op 2/3 van de 60 maten. Deze dodecafonische compositie maakt gebruik van één thema dat op fugatische wijze opduikt in de compositie, zoals het genre dit voorschrijft. Op de climax duiken de letters B-A-C-H op als een thema, gespeeld door de klarinet. Op deze manier wil Van Camp J.S. Bach eer bewijzen.

Na deze compositie bleef zijn interesse in de gulden snede aanhouden. Van Camp zette dit gegeven dan ook verder in onder meer Sonate voor viool en piano. In dit werk is er een onderverdeling gemaakt in drie delen. De drie delen zijn: I. Invocazione, II. Scherzo en III. Adagio. Tussen deze delen krijgen we respectievelijk Intermezzo en Apoteosi. Daarenboven opent de compositie met een Introduzione en sluit af met een coda. De verhouding en plaatsing van de verschillende delen is bepaald op basis van de gulden snede. Zo is Apoteosi de climax die na de ontwikkeling in het Scherzo (deel II) plaatsvindt; precies op 89/144 van de totale tijd van de compositie. Verder is de compositie bepaald door de Fibonacci-reeks. Hierdoor begint de compositie eigenlijk pas in maat 2, waar deel I Invocazione, begint. Omdat Van Camp de cijfers 0 1 1 van de Fibonacci-reeks ook muzikaal wilde weergeven, krijgen we eerst een Introduzione “senza misura”. Bij de eerste uitvoering van dit werk, namelijk voor Van Camps eindexamen viool in het conservatorium van Antwerpen, stond deze compositie geprogrammeerd met Alban Bergs Vioolconcerto en J.S. Bachs Derde Sonate voor vioolsolo. De compositie probeert dan ook een verbinding te maken tussen de beide composities. Ze verwijst expliciet naar Bergs Vioolconcerto. Enerzijds doordat er gebruik wordt gemaakt van dodecafonie, die op een Bergiaanse manier aangewend wordt. Anderzijds door gebruik te maken van een Bachthema. In plaats van het thema dat Berg gebruikt (Es ist Genug!), kiest Van Camp in zijn Adagio, voor het B-A-C-H-thema uit “Die Kunst der Fuge”. Hoewel de vorm gedetermineerd is en het ritme en de accenten serieel bepaald zijn, klinkt de compositie allesbehalve serieel.

In Strata krijgen we opnieuw te maken met de gulden snede. Deze verhoudingen werden precompositorisch aangewend om de vorm te bepalen. Het gaat hier niet enkel om de grote vorm, waarbij het eerste deel tot de gulden-sneden-climax van de compositie loopt, maar ook om de vormverhoudingen binnen de delen zelf. Zo is in deel I opnieuw de gulden snede binnengebracht en telkens opnieuw onderverdeeld in een gulden snede. Dit leidde tot een afwisseling van twee thema’s. Het gaat meer bepaald om de afwisseling tussen een grave-thema en een allegrothema; die telkens verkorten tot op de climax. Bovendien is de compositie zo opgebouwd dat de contrasterende thema’s eigenlijk verderlopen in een soort onderbewustzijn, zodat ze na de presentatie het andere thema op het juiste moment terug inpikken, alsof ze de hele tijd doorliepen. De titel verwijst naar het Latijnse woord voor lagen. In het eerste deel worden de verschillende lagen naast elkaar geplaatst. In het tweede deel worden de lagen boven elkaar geplaatst. In het tweede deel, een adagio, is de eerste viool opgebouwd volgens de Lucas-reeks. In dit deel gaat het meer om de klankkleuren.

De barokviool speelt een koraal met een barokboog, om zo driestemmigheid te suggereren. De eerste (moderne) viool speelt een eerder improvisatorische laag.

Hoewel de mathematische reeksen het verband tussen beide delen van de compositie bewerkstelligen hebben ze enkel een abstract, auditief niet waarneembaar verband.

In Hidden Facts zet Van Camp zijn fascinatie voor gelaagdheid verder. De compositie bestaat uit drie delen, met een allegro als hoekdelen en een adagio als middendeel.

Van Camp schreef voor een bezetting van vijf instrumenten (blaaskwintet) die de idee van onafhankelijk, evolueerde lagen hernemen. Er zijn tientallen lagen terug te vinden, die nooit allemaal te samen klinken wegens het beperkte instrumentarium en (eventuele) speeltechnische problemen. In deze compositie gaat het om de verschillende lagen die kunnen verdwijnen voor een bepaalde tijd om daarna weer op te duiken. Daarbij zijn de niet-hoorbare lagen eigenlijk nog bezig zijn als je iets anders hoort. De compositie is gebaseerd op verschillende systemen maar opnieuw werd de formele structuur en onderverdeling daarvan voornamelijk bepaald door de gulden snede.

273’’ is eigenlijk een verderzetting van Van Camps Sonate. Het verwijst zowel naar Cage (4’33’’ zijn samen 273 seconden) als naar Bartok die in Sonate voor 2 piano’s en slagwerk zijn reëxpositie van het eerste deel begint op de exacte gulden snede, na juistgeteld 273 maten. In deze compositie is dan ook elke muzikale parameter vastgelegd volgens de verhouding van de gulden snede. Hierdoor is 273” het meest seriële werk van Van Camp. Het toonsysteem en de toonhoogteorganisatie werden geleid door de gulden snede. Door dit te doen wilde Van Camp de onderliggende compositiemethode duidelijk maken. Hij koos voor de gis_ als pedaaltoon van het stuk. Vandaaruit moest de compositie gradueel terechtkomen op de c_ van de piccolo en de C3 van de contrabas, precies op de gulden-snede-climax van de compositie.

Aangezien dat er tussen deze twee noten c_ en C3, zich zes octaven bevinden, verdeelde Van Camp ze onder in kwarttonen. Zo kwam hij uit op 144 noten tussen de hoogste en laagste noot van de compositie. 144 is volgens de wiskundige verhoudingen van de Fibonnaci-reeks veel gemakkelijker te gebruiken, dan 72 (welk aantal bekomen zou zijn geweest in de normale stemming). Daarom is de compositie microtonaal. Voor het metrum en het ritme baseerde hij zich op een afwisseling van de maatsoorten 6/4 en 4/4 die ingevuld worden door afwisselend kwintolen en triolen, ook in de verhoudingen van de gulden snede. Zoals eerder gebleken, zijn ook tijd, tessituur en harmonie serieel bepaald. De compositie bestaat uit een introductie die via een doorwerking naar de climax evolueert. Daarna volgt er een terugkeer naar het begin van de compositie.

Het strijkkwartet is ook een microtonale compositie. Hierbij zijn de experimentele samenklanken van 273’’ genomen als uitgangspunt. Deze akkoorden worden in het strijkkwartet op een intuïtieve manier gebruikt. De compositie bestaat uit drie bewegingen. De eerste beweging is een trage inleiding. Het middendeel is onstuimig en evolueert naar de climax. In de derde beweging, werd er een modus gebruikt. 
Deze modus werd ontwikkeld na het in kaart brengen van alle mogelijke flageoletten met scordatura. De hiërarchie van de tonen in de modus werden gulden-snede-gewijs bepaald. Auditief doet dit deel eerder rustig aan, daar het voornamelijk bestaat uit lang aangehouden tonen. Ook de techniek van polyfone gelaagdheid werd opnieuw toegepast in deze compositie. Het werk is opgedragen aan Ludwig van Beethoven, zoals de ondertitel aanduidt (Dedicated to the memory of Ludwig van Beethoven). De lagen zijn thematisch behandeld en ontwikkelen zoals een thema in een symfonie van Beethoven. Ze evolueren op een organische manier en beïnvloeden elkaar, zodat je niet kan bepalen waar een tweede thema begint. Opnieuw liggen de inzetten van de lagen serieel vast, volgens het gulden snede-principe.

WERKLIJST
- Solo-instrumenten: Etude voor viool (2002); Pianco Piece Nr. 1 voor piano (2005)
- Kamermuziek: Rapsodie voor viool en piano, reductie van Rapsodie voor viool en orkest (1999); Trio voor klarinet, altviool en piano (2000); Ricercare voor klarinet en piano (2001-2003); Ricercare voor klarinet, baritonsax en piano (2001-2003); Sonate voor viool en piano (2003); Strata voor 2 violen (met eventueel een barokviool toegevoegd) (2004); String Quartet, Dedicated tot the memory of Ludwig van Beethoven voor strijkkwartet (2004); Hidden Facts voor blaaskwintet (2004)
- Ensemble: Vers 4 voor mezzosopraan, fluit, klarinet, hoorn, fagot, viool, altviool, cello en contrabas (2001); 273’’ voor 21 insturmenten met dirigent (2003) 
- Orkest: Rapsodie voor viool en orkest (1999)
- Transcripties: Ricercar 1 a 3 voci van J.S. Bach uit Das Musikalische Opfer voor vioolsolo; Die Woltemperierte Violine gebaseerd op de preludes en fuga's uit Das Wohltemperierte Klavier voor vioolsolo (work in progress); Ciaconna uit Partita in d BWV 1004 oorpronkelijk voor viool solo getranscribeerd voor 3 contrabassen; Adagio e Fuga uit uit Sonata in C BWV 1005 oorspronkelijk voor viool solo getranscribeerd voor 3 contrabassen
 
BIBLIOGRAFIE
- M. Beierens, art. Een antwoord op de stilte, in De Standaard, uitg. dr. Vlaamse Uitgeversmaatschappij NV, 11 maart 2004 (referentiecode: PRS-223)

[© 2006 Marijke Bobbaers, voor MATRIX]

werken

  • 273", 2003
    21 instrumenten 00:04:33
  • Capriccio, 2009
    hobo 00:00:00
  • Concerto, 2008
    viool en ensemble 00:16:00
  • Etude, 2002
    viool 00:07:00
  • Hidden Facts, 2004
    fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot 00:08:00
  • Improvisations, 2011
    viool 00:13:00
  • Music for 3 instruments, 2010
    klarinet, viool en piano 00:12:00
  • Piano Piece nr.1, 2005
    piano 00:04:00
  • Rhapsody, 1999
    viool en orkest 00:09:00
  • Rhapsody, 1999
    viool en piano 00:09:00
  • Ricercare, 2001
    klarinet, baritonsax en piano 00:05:00
  • Ricercare, 2001
    klarinet en piano 00:05:00
  • Sonate, 2002
    viool en piano 00:12:00
  • Strata, 2004
    2 violen 00:08:00
  • String Quartet, 2004
    2 violen, alt en cello 00:08:30
  • Tetrahedron, 2006
    orkest 00:16:00
  • Three songs, 2010
    Mezzo-sopraan en piano 00:10:00
  • Three songs, 2010
    Mezzo-Soprano, fluit, klarinet, altsaxofoon, vibrafoon, grote trombaritonesaxofoon, 00:10:00
  • Three songs, 2010
    Sopraan en piano 00:10:00
  • Trio, 2000
    klarinet, altviool en piano 00:16:00
  • Vers 4, 2001
    Mezzosopraan en 8 instrumenten 00:09:00
Bladzijdes :
1 2 3